|
Benedenknijpe.
De hardrijderij was afgeloopen, `t was avond geworden, laat in den avond reeds, toen nog eenige jongelieden huiswaarts reden.
Een hunner, Klaas H., was het pleizier van den dag, dat hij al borrelende genoten had, een weinig in de beenen geschoten, zoodat het rijden hem zeer moeilijk viel en ook niet zonder gevaar mocht worden gerekend.
De anderen, allen veel jonger dan hij, ontfermden zich genadiglijk over hem en bonden hem de schaatsen af. Doch H. verkeerde niet in eene stemming, waarin dankbaarheid aan het woord kon komen.
Integendeel, hij nam het zijn jongen vrienden ten hoogste kwalijk en riep: “Harm B., kom dou ris efkes by my; ik ha`n wirdsje mei dy te praten, mar dou allinne, oars gjin ien.”
“Dat kin wol,” zei Harm, “mar ik wol gjin ruzie ha.”
Doch toen hij bij H. kwam, pakte deze hem beet en wierp hem neer. Bij die gelegenheid zegt H. door Harm in het been te zijn gebeten. Geen der getuigen heeft dit bepaald gezien, doch er was anders niemand, die het kon hebben gedaan. De beet is nog al aangekomen.
Even later kreeg H. het met Bareld de V. te kwaad.
H. wierp Bareld neer en toen de veldw. v.d. Brug en de nachtwacht Hoekstra kwamen en Bareld weder opstond, nam deze in drift zijn schaats en sloeg er H. mee in den nek.
De Off. Vraagt tegen H. zoowel als tegen Harm en Bareld het schuldig en vordert tegen ieder hunner f10 boete of 10 dagen hechtenis.
|